Overweging 'viering anderszins', 22 december 2012 door Huub Oosterhuis

1.
Wij spreken en zingen in onze kerken een taal vol ongewone woorden en beelden, die u zelden of nooit in een krant zult aantreffen, die u in geen NOS-Journaal te horen krijgt en die zelfs in het Groot Dictee der Nederlandse Taal niet voorkomen. Bijvoorbeeld het woord 'Messias'. Messias, masji'ach in het Hebreeuws, 'gezalfde', christos in het Grieks, Christus in het Nederlands - dat leverde het woord 'christelijk' op, christelijk onderwijs en Christen Democratisch Appèl: zo snel komen de woorden uit elkaar tevoorschijn en voor je het weet is hun oorspronkelijke betekenis vervluchtigd, en zijn ze jargon en geheimtaal geworden. Wat betekent 'christelijk' ook al weer? Dat betekent 'in de geest van de Jezus, die door sommige van zijn volgelingen de Messias werd genoemd, Jezus Christus, Jezus Messias'.


Ten tijde van de geboorte en opgroei van Jezus, in die dagen werd in de joodse wereld binnen sommige religieuze milieus en politieke partijen met groot verlangen uitgezien naar een messias, een koninklijke figuur die een nieuw maatschappelijk bestel zou vestigen: een samenleving waarin de grote woorden van de joodse godsdienst - gerechtigheid, solidariteit, ontferming - tot dagelijkse werkelijkheid zouden worden voor 'hongerlijders, dorstlijdenden, vreemdelingen, naakten, zieken, gevangenen'. Een messias begint aan een nieuwe wereld die, over alle grenzen heen, voor alle volkeren bestemd is. Over deze nieuwe messiaanse wereld hoort het in christelijke kerken, in kerkelijke bijeenkomsten, in liturgie en leerhuis te gaan. Dat is het werk dat wij te doen hebben, onze roeping.

Die nieuwe wereld, hoe komen wij op dit idee? Is deze wereld waarin wij leven, die in tientallen eeuwen is gegroeid, geweven, opgebouwd - is die verouderd, dat we fantaseren over een nieuwe? Is deze wereld niet goed genoeg, of niet minstens de best mogelijke? Dat is een redelijke vraag, zeker. En het antwoord luidt: nee. Omwille van 'de hongerlijders, de dorstlijdenden, de vreemdelingen, naakten, zieken, gevangenen': luidt het antwoord 'nee'. Dat antwoord 'luidt' niet zoals klokken luiden, dat antwoord schreeuwt. In het NOS-Journaal schreeuwen ze je toe, in kranten worden ze getoond - niet in alle kranten - schreeuwend, huilend of verstomd in hun ellende.

De gedachte aan een nieuwe wereld, de utopie van een samenleving in gerechtigheid en solidariteit en ontferming, is tót ons gekomen vanuit de joodse bijbel. De profetische schrijvers van dat boek hebben 'de verworpenen der aarde' gezien, en hun schreeuwen gehoord. Het volk dat in duisternis gaat; die wonen in schaduw van dood. Die komen in de historische kronieken van de Oudheid niet voor, in de Annalen van Tacitus kom je ze niet tegen. Maar door Mozes en de profeten zijn ze gezien, en omwille van hen moet er een nieuwe wereld komen.

Voorlezing uit het Evangelie van Lukas

Een hooggeplaatste mens stelde hem de vraag:
Goede meester, wat moet ik doen om deel te krijgen aan het ‘eeuwige leven’
dat wil zeggen om te mogen leven in de komende wereld?
Jezus sprak tot hem:
Waarom noemt ge mij goed?
Niemand is goed, enkel die ene, God.
Gij kent de geboden:
‘Gij zult geen overspel plegen,
niet moorden,
niet stelen,
niet liegen,
eer je vader en je moeder.’
Hij sprak:
Aan dat alles heb ik vastgehouden van jongs af aan.
Toen Jezus dit hoorde, sprak hij tot hem:
Nog één ding ontbreekt je:
alles wat je hebt, verkoop het en deel het uit aan de armen,
dan zul zij een schat in de hemelen hebben.
Kom dan terug en volg mij.
Toen hij dit hoorde, werd hij diep bedroefd
want hij was steenrijk.
Jezus zag hoe diep bedroefd hij was en sprak:
Hoe moeilijk is het voor hen die veel bezitten,
het koninkrijk van God binnen te gaan.
Nog makkelijker komt een kameel door het oog van de naald
dan een rijke in het koninkrijk van God.
Die het hoorden die zeiden:
Maar wie kan dan worden gered?
Hij sprak:
Wat onmogelijk is bij mensen,
is mogelijk bij God.

In het Lukasevangelie wordt er vanuit gegaan, dat die nieuwe wereld zal komen, daarom staat er ‘de komende wereld’. ‘Eeuwig leven’ is een eenzijdige vertaling; suggereert de betekenis van ‘in het hiernamaals’. Dat is hier niet de bedoeling. Het gaat hier over het Koninkrijk van God in déze wereldtijd.

2.
Mens, hoe lang nog hou je vast aan
schijn en noodlot? Kom tot inkeer.

Hij geeft antwoord als je roept.
Hij geeft ruimte, wijd als hemel.

Hier nu hoor mij. Kom tevoorschijn.
Niet om ’t een of ander roep ik.

Om een nieuwe aarde schreeuw ik
als een vrouw in barensweeën.

Zal ik ooit nog veilig wonen
slapen in een droom van vrede?

Ja ik zal nog – geef mij antwoord.
Hoor mij. Wees niet doodse stilte.


psalm 4 vrij

3.
‘Niet om ’t een of ander roep ik – om het slagen voor een rijexamen of zoiets – maar om een nieuwe aarde schreeuw ik als een vrouw in barensweeën’.

Het hart van de joodse bijbel, van de boeken van Mozes en de profeten, is het visioen van ‘een nieuwe aarde’, en met die woorden bedoelt de bijbel een menswaardige samenleving voor allen, voor ieder mensenkind waar dan ook.
In dat boek wordt het zó voorgesteld: dat het God zelf is, de hoogste instantie, de schepper van aarde en hemel – deze wereld – die oproept tot solidariteit met de armen, de verworpenen der aarde; tot verantwoordelijkheid van mensen voor elkaar, inclusief alle voorspelbare problemen en onvoorstelbare rampen die daar bij horen.
‘Red hen die geen verweer hebben, red hen die geen verweer hebben, red hen die geen verweer hebben, de geestelijk gehandicapten, de geboren en getogen armen, asielzoekers, red hen’: roept God-Ik-zal, die van Mozes en Jezus, die woorden zijn een ‘ethisch appèl’, een beroep op ons geweten – hier-nu en hebben een politieke lading.
God heet in de bijbel God-Ik-zal, God ik zal er zijn: Ik-zal-er-zijn, ín mensen die een nieuwe aarde bouwen, die daar naar smachten, die daar om schreeuwen.
De woorden ‘Koninkrijk van God’ en ‘komende wereld’, in de mond van Jezus – zoals wij hoorden – zijn synoniem aan de profetische woorden ‘nieuwe aarde / nieuwe hemelaarde / nieuwe wereld.

4.
Dit is de Thora, de levenshouding, het visioen waarin Jezus van Nazareth is opgevoed, en dat hij heeft beaamd en in zijn dagen profetisch verkondigd. : ‘Nog één ding ontbreekt je: alles wat je hebt, verkoop het en deel het uit aan de armen - dan zul jij een schat in de hemelen hebben. Kom dan terug en volg mij’.
Die hooggeplaatste steenrijke, vroeger ook wel ‘de rijke jongeling’ genoemd, heeft het niet volbracht. Maar het kan wel: ‘het is mogelijk bij God’, zegt Jezus. Uit kracht van God, ‘dank zij God’, uit kracht van de heilige geest van God. En wie bidt om die heilige geest, ontvangt die heilige geest. Zegt Jezus.
In mijn eigen apocriefe evangelie heb ik opgeschreven wat ik ooit, met eigen ogen, gezien heb:

Van verre zag zij hem, drong naar hem toe:
ik zal U volgen, heer, waar gij ook gaat.
Waar ik ook ga? vraagt hij - Ik Heer? Wie jij?
Verkoop  wat je bezit, geef het de armen.
Zij had een lusthof, tuinen aan rivieren
goudmijnen, dure wijken. Zij verkocht ze.

En toen werd ze een zuster van Liefde en ging werken in Cité Soleil, de sloppen-sloppenwijk van de wereld, Haïti op zijn ergst. En nu is ze oud en woont met nog vier zusters van Liefde ergens in een grote Nederlandse stad in een flat waar ook altijd een aantal uitgeprocedeerde asielzoekers wonen. Die leert ze Nederlands. Ik heb een rijk leven ontvangen, zegt ze.

5.
‘Het probleem van rijk en arm is doodeenvoudig. Wie zegt dat het gecompliceerd is, heeft het over de gecompliceerdheid van zijn eigen rijkdom.’ Aldus Harry Mulisch, veertig jaar geleden.
De rijken houden de armoede van de armen in stand. Gerechtigheid zou het zijn, als de rijken de armen optillen tot een menswaardig levensniveau. Dat kunnen ze. Dat kunnen ze leren. Het koninkrijk van God is volgens Jezus -  en volgens de Thora van Mozes en de profeten waarin hij was opgevoed - een nieuwe wereld waar dát gebeurt, die verheffing, die uittocht omhoog - een komende wereld waarin volgens de mantra van de jonge Karl Marx geen mens meer “een geknecht, verlaten, vernederd en verachtelijk wezen is”. Die andere komende wereld is niet alleen bevrijding voor de armen, maar ook voor de rijken. Arme hooggeplaatste steenrijke man, die diep bedroefd heengaat, omdat hij zoveel bezit, maar aan ‘dat ene’, dat enig noodzakelijke, geen deel heeft: aan die ‘komende wereld’ (nu al komende) waar alles voor allen zal zijn, aan dat groot nieuw bezield verband, nieuwe liefde, wereld zonder scheidsmuren, zonder apartheid, zonder de flauwekul van standen en klassen, zonder geeuwende leegte en verveling en achterdocht en cynisme.

Tegenover een hooggeplaatst steenrijk leven staat niet ‘een arm leven’, maar een leven dat zich inzet voor gerechtigheid. Een dienstknechtleven.
Als je de Thora van Mozes en Jezus ernstig neemt, zou je op de gedachte kunnen komen dat deze wereld-hier-nu, met al haar sloppenwijken en peperdure locaties, helemaal opnieuw georganiseerd moet worden - en dat jij daaraan moet bijdragen. Als je daarvoor kiest, kies je voor een ‘dienstknechtleven’.

6.
Jezus richt zich in scherpe ‘statements’ tot hen die menen hem te volgen naar een komende wereld. Bijvoorbeeld: ‘Niemand kan twee heren dienen’: hij zal de een haten en de ander liefhebben, ofwel de een aanhangen en de ander verachten. Gij kunt niet de levende God aanhangen en dienen, en tegelijk de mammon, de god van geld en economisch macht (Lukas 16: 13-14) . Er is, zegt Jezus, geen verstandhouding mogelijk tussen God-Ik zal en de mammon. De mammon is het tegenbeeld van God-Ik-zal-er-zijn, zoals de dood het tegenbeeld is van het leven. Wie de mammon aanhangt, doemt anderen ter dood.
Met de mammon wordt bedoeld: alles wat een mens bezit ten koste van anderen: grondbezit, het woekerende, verslavende bezit van productiemiddelen. Met de mammon wordt niet bedoeld: het bezit van tafel en bed en kostwinning, het bezit van levensvoorzieningen voor je kinderen – al dat elementaire waarvoor in West-Europa de laagstbetaalden nog altijd moeten vechten.
Niet het bezit van die primaire leeftocht wordt door Jezus veroordeeld als tegenbeeld van God. En als hij tegen rijke mensen zegt dat ze hun bezit moeten verkopen, bedoelt hij niet deze primaire leeftocht. Wat zegt hij dan wel? Dat wie hem volgen wil, moet afzien van een levenswijze die gericht is op het verwerven en vermeerderen van staat en stand en bezit, en moet kiezen voor een inzet in de politiek-sociale werkelijkheid die hem of haar aan de zijde brengt van de bezitlozen, van hen die geen primaire leeftocht hebben: dus die hen maakt tot ‘partijganger van de armen’. Tegen die Hooggeplaatste zegt hij: ‘zie af van je hoge plaats, daal af van de troon. Zoals van God-Ik zal geschreven staat dat Hij afdaalde om te bevrijden’. Kies voor dienstknechtleven.

7.
Volgens de vier evangeliën  heeft Jezus zijn eigen keuze voor een dienstknechtleven in een veelzeggend gebaar te kennen gegeven op de avond voor zijn lijden en dood. In het evangelie van Johannes knielt hij neer om als slaaf de voeten van zijn leerlingen te wassen. In de geschriften van Marcus, Mattheus en Lukas neemt hij brood , breekt het , deelt het uit en zegt: ‘Dit is mijn lichaam, neem en eet, om mij te gedenken’  .
Dan neemt hij de beker met wijn en zegt ‘Deze beker is het verbond in mijn bloed’. ‘Bloed’  betekent  in de taal van de Thora en evangelie: ziel, levenskracht.

Hoe zullen wij , na twintig eeuwen, deze woorden verstaan? Dat Jezus het  brood verandert  in zijn lichaam en de wijn in zijn bloed, zoals het rooms-katholieke dogma van de transsubstantiatie, de ‘wezensverandering’, het formuleert? Of horen wij hem zeggen: ‘Maak je zelf tot brood voor hongerlijders, wees bezield door het verlangen naar een wereld waar brood en recht voor allen is. Wat dat betekent weet iedereen die probeert bij te dragen aan een wereld waar geen mens meer verhongerd. Dit en niets anders, heeft Paulus bedoeld toen hij schreef aan de gemeente van Korinthe: dat zij geroepen waren ‘het lichaam van de Messias’ te zijn in deze wereld. Geroepen tot ‘Wezensverandering’. Zijn aanwezigheid, zijn ziel en lichaam zijn in deze oude wereld; begin een nieuwe, kiemcel van nieuwe wereld in deze oude.

Eucharistie vieren is hopen dat wij wezenlijk zullen veranderen: dat  wij van chaotische, onsamenhangende, eenzame mensen veranderen in het lichaam van Jesus Messias;  dat wij, hem achterna, proberen te kiezen voor een dienstknechtleven, partij kiezend voor de armen, de vreemdelingen in ons midden behoedend, ieder mensenkind eerbiedigend.
Wij zullen zijn werkelijke tegenwoordigheid worden, zijn zachte kracht. Zijn liefdesenergie in deze wereld. Bezield verband en messiaanse tegenkracht tegen de dood in al zijn gedaanten.
Bijeenkomsten als deze: laat het geestelijke oefeningen zijn in wezensverandering, gewetenshervorming, training in dienstknechtleven – viering van nieuwe geboorte, nieuwe levenskansen, onmogelijke ondenkbare mogelijkheden.

Dit hier op zondag 22 januari 2012, in deze Dominicuskerk is oefening van hoop: dat we contouren leren zien van een komende nieuwe wereld waar alles voor allen zal zijn. En God ‘alles in allen’, ‘alles voor allen’ – die noemt dat. God alles in allen. Zeg Amen, zo zal het zijn.