Preek van Hans van der Ven, kerstavond 24 december 2007 in de Stephanuskerk
Bij Lucas 2 (zoek op in Willibrordbijbel)
De baby in de kerstkribbe: in onze verbeelding is het zo’n ideale mooie baby, helemaal volledig, waar we altijd het eerst naar kijken, tien vingertjes, tien teentjes, een gaaf jongetje. Maar daarmee houdt de gelijkenis meteen op. Het is niet een mooi blank jongetje met blonde haartjes, maar een mooi donker Palestijns jongetje met zwarte haartjes, helemaal gaaf, nog onbesneden, want de besnijdenis vindt naar Joods gebruik pas acht dagen later plaats. Dit jongetje ligt niet in een schoon geverfde kinderkamer, maar in een stal, een schapenstal met keutels op de boden, niet in een wiegje, maar in een bak met veevoer, niet in een schattig lichtblauw pakje met bijbehorend mutsje, maar in een doek gewikkeld, er was geen plaats voor hen in de herberg, misschien omdat het te druk was, maar vooral omdat het te duur was. Zijn vader en moeder waren van een arme komaf, afstammend van sappelende kleine boeren op het platteland: een herberg was niet te betalen. Bethlehem was stampvol vanwege de eerste volkstelling die er gehouden werd, en dan schieten prijzen omhoog.