Overweging 15 augustus 2010 door Ad Willems

Maria tenhemel opneming

Midden in de augustusmaand worden we ineens overvallen door een liturgisch feest. Niet zo’n  kerkelijk feest over Jezus en zijn betekenis voor ons leven.
Nee, zomaar een uitbundig feest over Maria. Ik noem het uitbundig omdat het met één klap heel het leven van Maria samenvat in een ’bekroning’: haar lichamelijke opname in de hemel, haar Zoon achterna.
Bij Jezus zijn we op zo’n feest a.h.w. voorbereid. In de loop van het kerkelijk jaar zijn we zondag na zondag met de voortgang van zijn leven vertrouwd geraakt. De evangelielezingen brachten vanaf Kerstmis tot Goede Vrijdag en vooral Pasen ons de boodschap van zijn leven nabij.


Het feest van vandaag komt abrupt zomaar middenin één van de vele zondagen door het jaar. In zekere zin is het kerkelijk bezien ook een tamelijk nieuw feest. Er zijn hier misschien nog wel gelovigen onder ons, die zelf hebben meegemaakt dat paus Pius XII op het feest van Alle Heiligen 1 november 1950 de ‘Ten Hemelopneming’ van Maria als een dogma heeft afgekondigd. In de officiële liturgie zijn we op dit feest niet voorbereid. Toch is het goed invoelbaar dat de eerste volgelingen van Jezus na diens dood en verrijzenis zich ook om moeder Maria bekommerden. Zij hebben daar in Nazaret met de zorgen om haar Zoon meegeleefd. Van nabij waren zij getuigen van haar blije verwachtingen van haar Zoon, maar ook van haar pijnlijke problemen. Die Zoon ging duidelijk zijn eigen weg. Ik denk aan het verhaal over de bruiloft in Kana ‘Vrouw, wat heb ik met u? Mijn uur is nog niet gekomen’ (Jo.2,4).

Historische gegevens over het dagelijks leven van moeder Maria zijn echter maar spaarzaam overgeleverd. Toch is de gelovige verbeeldingskracht (soms wat losjes ‘fantasie’ genoemd) over de voor de hand liggende besognes van Maria spoedig op gang gekomen. Uiteraard hebben de vertrouwde volgelingen zich zorgen gemaakt over haar laatste ogenblikken. Vanuit het Oosten kwamen de eerste verhalen.  Men vertelde elkaar over de  koimésis, het inslapen van de moedermaagd, al snel in de liturgie van het Westen overgenomen als de ‘dormitio’ Mariae.  Zo levert bisschop Gregorius van Tours in de zesde eeuw in zijn mirakelboek een oud verhaal over uit de Byzantijnse geschiedenis. ‘Toen Maria haar levensloop beeindigd had en zij uit deze wereld geroepen werd, kwamen de apostelen naar huis, ieder uit zijn eigen land. Zij wachtten tesamen met haar. En zie, de Heer Jezus kwam samen met zijn engelen. Hij nam haar ziel en gaf ze aan de aartsengel Michael. De volgende morgen vroeg namen de apostelen haar lichaam tegelijk met haar bed en legden het neer in het graf. Zij bewaakten het en wachtten weer op de komst van de Heer. En zie, opnieuw stond de Heer bij hen, ontving het lichaam en gelastte het in een wolk naar het paradijs te brengen’ (aldus in het Liber de Transitu).

Ook in de beeldende kunst heeft de Byzantijnse traditie met speelse zekerheid ons getuigen gemaakt van Maria’s  uiteindelijke levenslot. Een aantal jaren geleden was ik in het toen nog  Joegoslavische  Ohrid. Het was een geliefde vakantiebestemming van veel Nederlanders. De liturgische vieringen waren mateloos, maar de inheemse mensen gingen vroom in en uit en weer in. In de oude kerk van Sveti Kliment zijn veel oude fresco’s te bewonderen. Eén daarvan heeft ons bijzonder getroffen. De doodsslaap van de moedermaagd en de voorbereiding van haar hemelvaart. Bovenaan, vlak onder het raam, staat de hemelpoort wagenwijd open. Het is de poort van het hemelse Jeruzalem. Een eindeloze stoet van gevleugelde engelen en heiligen daalt af naar de aarde, een gewemel van kleuren, goud, rose, groen en pasteltinten. Beneden ligt de moedermaagd in doodsslaap. Een tengere figuur in het zwart. De Zoon staat, omstuwd door engelen, bij zijn moeder en houdt een klein kindje in zijn arm: de ziel van Maria. Ook baardige apostelen, gehuld in het plechtige gewaad van orthodoxe metropolieten, staan om het bed van Maria heen. Zij lijken het inderdaad op te willen tillen. De ziel en het tengere lichaam gaan zo, gedragen door sterke mannen, naar omhoog. Op de voorgrond staat nog een kwispeldoor, een spuugbakje, restant van het aardse leven dat achtergelaten wordt. Uit de vensters van het hemelse Jeruzalem hangen klapwiekende engelen. Zij mochten niet mee, maar zij verwelkomen Maria uitbundig, samen met de patriarchen van het Oude Testament.

Ik denk, dat deze getuigenissen in woord en beeld van de vroegkerkelijke vroomheid soms dichter bij onze ervaring komen dan wij in onze moderne nuchterheid spontaan beseffen. Ik pleit ervoor die spontane reflex even naast ons neer te leggen; ons even in onze innerlijke stilte terug te trekken….
Na 2000 jaar noemen ook wij hier ons nog altijd ‘christenen’. Hoezo?
Wij ontlenen de uiteindelijke zingeving van ons leven aan de boodschap van Jezus. Zijn gang door het menselijk leven in eenheid met zijn God, die Hij vertrouwelijk zijn ‘Vader’ noemde,  heeft ons bemoedigd. Wij geloven dat zijn leven op paasmorgen bezegeld werd bij zijn goddelijke Vader. Hij is ons daar voorgegaan.

Geen wonder dat onze oudste voorgangers óók iets hadden met zijn moeder, de vrouw die het innigst met Jezus verbonden was. Haar unieke nabijheid bij Hem raakt ook onze ervaring. Begrippen en woorden schieten hier tekort. Maar als gewone gelovigen hebben wij daar iets op gevonden. Wij steken spontaan en kaarsje op. En we zijn met velen. Overal ter wereld  werden en worden ontelbare kaarsen en kaarsjes rondom haar beeltenis ontstoken. Wie waar ook – zelfs in je vakantie -  een kerk ingaat vindt wel haar beeltenis. Vrijwel altijd brandt daar een kaarsje. We hebben haar beeltenis zelfs met de mooiste gewaden bekleed. We gaven haar honderd lieve namen, samengevat in een litanie. We zingen van oudsher haar lofzang, het Magnificat, zoals de evangelist Lucas het ontwierp met behulp van allerlei oudtestamentische teksten.

Geen wonder dus ook, dat de kerk als geloofsgemeenschap ervan overtuigd is geraakt dat ook háár einde zich in eenheid met haar zoon voltrok. Als vanzelf heeft de kerk op die manier spontaan het eenzijdig mannelijke beeld van God als Vader zachtzinnig aangevuld  met moederlijke trekken. De oude kerk is ons daarin drastisch voorgegaan door Maria ‘theotokos’, ‘moeder Gods’ te durven noemen.
Moeder en Zoon waren op aarde innig verbonden. Wij gedenken en overwegen vandaag dat die innige eenheid bestendigd is in het mysterie van ons aller uiteindelijkheid. Daarom vieren wij vandaag het feest van Maria’s Tenhemelopneming.

Ad Willems O.P.