Overweging Kerstmis
Overweging Kerstmis door Hans van der Ven
Kerstmis 2010 Lc 2,1-5; Jesaja uit Klein Kerstoratorium
Het is geweldige taal die we zo juist van de profeet Jesaja hebben vernomen. Gewelddadige taal ook. Handen zijn bloedbevlekt, staat er, leugentaal komt van de lippen, verwoesting, dat is wat wordt gezaaid, leeggeplunderd is het land, huis na huis is geconfisceerd, akker na akker opgekocht, men verblijft in de schaduw van dood.
En dat met Kerstmis.
Maar er staat ook: de stok waarmee geslagen werd is stukgebroken, de stampende laarzen in het vuur gegooid, de kleren in bloed geverfd verbrand, nacht is veranderd in dag, donker in licht. Een kind is ons geboren, een kind van vrede.
Er is al 65 jaar geen oorlog meer in Europa, geen Nacht und Nebel meer, met uitzondering van een lokale oorlog in de Balkan. Maar ook die is over.
Nee, een oorlog met zwaarden is er in onze gewesten niet meer, niet een met kanonnen, niet een met bommen, niet een met soldaten.
Of toch?
Misschien is er een psychologische oorlog aan de gang, een culturele oorlog. Bloedbevlekt is wellicht onze geest, liegen we in stilte, zaaien we verwoesting in de ziel van anderen, plunderen we hun land geestelijk leeg, worden ze psychisch verdreven van huis en haard, akker en woonstee. Misschien drijven we hun ziel in de schaduw van dood −ik bedoel: de ziel van vreemdelingen onder ons.
Ja, dat is een vraag die we met Kerstmis stellen: hoe gaan we met vreemdelingen om? In heel Europa is een extreem-rechtse beweging te bespeuren, die vreemdelingen van hun identiteit berooft, hen hun trots ontneemt, hen tot gelijkschakeling dwingt. In heel Europa. Niet alleen de politici lijden aan het virus, maar grote delen van de Europese volken. Een excuus is er niet: ‘wir wissen es’.
Jezus was zelf een vreemdeling, zijn vader een kleine boer van het arme platte land in een achterlijk gehucht, Nazareth geheten. Hij was verloofd, zij was in verwachting, ze moesten voor de volkstelling naar de grote stad, de enige grote stad, Jeruzalem. Vreemdelingen waren ze er. Het kloppen op de deur van de gastenverblijven werd niet gehoord, of de deur werd voor je neus dichtgegooid. ‘Occupied’, want ze zijn straatarm, betalen niet, ze stinken, en zij is ook nog in verwachting. ‘Weg jullie, er is verderop misschien een stal, ergens buiten Bethlehem’. In de bittere kou die door kieren en gaten naar binnen komt, wordt een nieuwe vreemdeling geboren, Jezus. Hij wordt op stro gelegd, in een voederbak. De Middeleeuwen verzinnen erbij dat de adem van de os en de ezel de kou iets minder venijnig maakt. Dit is geen knusse heilige familie, maar een groepje vreemdelingen, ontredderd, berooid.
Wie komen deze vreemdelingen bezoeken? Andere vreemdelingen. De herders die toch in de stal moesten zijn om er de schapen in onder te brengen. Ze zijn arm. Ze wonen in de buurt, ook in een stal, bij hun schapen. Ook zij zijn vreemdelingen in het machtige Jeruzalem − Jeruzalem dat zwaar is van politieke, juridische en religieuze macht.
En wie komen er nog meer op bezoek in de stal? Nog weer andere vreemdelingen, drie magiërs uit het oosten, zoals het verhaal van Mattheüs luidt, of drie wijzen, of drie koningen, uit het Oosten. De legende zegt dat er één zwart is −afkomstig uit Soedan?− en de andere twee blank. Ze komen van ver, want volgens de mythe reizen ze met een kameel. Vreemdelingen bij vreemdelingen te gast in een onderkomen van vreemdelingen: een stal.
Zo is het leven van Jezus begonnen, zo zal het ook eindigen: als van een vreemdeling, een arme boerenzoon, een onruststoker, die zich uitgeeft voor ‘Koning der Joden’, bespot, gegeseld, vertrapt, gekruisigd −op voorspraak van de politieke, juridische en religieuze elite, onder gejoel van het volk.
De vreemdeling vormt het hart van de Joodse traditie. Of je barmhartig met hem omgaat vormt een wezenlijk criterium van het Jood-zijn. Of je barmhartig met hem omgaat bepaalt of je Jezus navolgt, zoals hij zelf barmhartig omging met andere vreemdelingen, zoals gehate belastingophalers, hoeren, armen, kinderen. Joden en christenen hebben wel diskwijls tégen de barmhartigheid gehandeld, maar ze zijn er op aanspreekbaar. Dat is belangrijk.
Vandaag heet het politieke beleid jegens vreemdelingen: streng en rechtaardig, of: streng, maar rechtvaardig. Een merkwaardige combinatie, het is dubbelop, want rechtvaardig is niet week of slap, maar altijd streng. En wat vanuit de Joodse en Christelijke tradities gemist wordt is het woord barmhartig. Rechtvaardig en barmhartig, dat zou het beleid moeten zijn. Dat is de juiste combinatie. Rechtvaardigheid voorkomt dat barmhartigheid willekeur wordt en barmhartigheid voorkomt dat rechtvaardigheid rigoreus wordt.
Bedrijf ik hiermee partijpolitiek vanaf de kansel? Ik meen van niet. Het is geen partijpolitiek. Het gaat om de politiek van partijen−meervoud−, nota bene ook christelijke partijen, in tal van landen, in heel Europa die zich onbarmhartig jegens vreemdelingen opstellen, vooral jegens moslims. Het is een politiek van onverdraagzaamheid die een tweedeling in partijen, in groepen en in de samenleving als geheel veroorzaakt.
Misschien denkt u er anders over. Maar ik vind dat religies, met name de christelijke religie, hun stem moeten verheffen wanneer de identiteit van miljoenen moslims in Europa, nu al tien jaar lang, wordt aangetast. Speciaal op Kerstmis, het feest van Jezus, het vreemdelingenkind, Jezus, de vreemdeling.
Wat kunnen we doen? Dezer dagen las ik de nieuwe autobiografie van Nelson Mandela, In gesprek met mijzelf’. Een van de acties die hij ontketende was het vormen van een verband van gelijkgezinde zwarten én blanken, die bijeenkwamen voor een maaltijd, een discussie, een lezing. Wat let deze parochie om in Nijmegen-Oost met moslims via scholen en bedrijven in contact te komen en met hen een dergelijk verband te vormen, en daarbij ook mensen-van-goede-wil te betrekken, gelovig of niet? Wat let ons één keer per jaar een maaltijd te houden, één keer per jaar een lezing met gesprek, en één keer per jaar een gebedsviering, zoals paus Johannes Paulus II deed in Assisi? Het getuigenis voor rechtvaardigheid en barmhartigheid jegens moslims moet van onderaf komen, en wij hebben, meen ik, hierin een speciale opgave te vervullen, een kerstopgave. Deze parochie zoekt nog naar prioriteiten in haar beleid. Welnu, zou het engagement met de vreemdeling in zo’n simpel verband, drie keer per jaar, niet een prioriteit kunnen en moeten zijn, naast de liturgie? Kan dit een weg naar vrede zijn, in ons eigen hart, in wijkverband, in de stad, en wellicht in de samenleving als geheel? Zou er steun zijn voor dit initiatief, waarbij sommigen zich actief inzetten en anderen meer op afstand? Dan zou Kerstmis een duurzaam feest van licht kunnen worden.
Hans van der Ven
| Volgende > |
|---|

