Overweging Derde zondag van de Veertigdagentijd 27 maart 2011thecla-fiselier

Lezingen: Ex. 17,3 – 7
Joh. 4, 4 – 42

Waarom komt die vrouw uit Samaria, waarover we zojuist gelezen hebben, uitgerekend op het heetst van de dag water putten?
De evangelist Johannes zal wel niet voor niets vertellen dat de ontmoeting met Jezus, bij de bron van Jakob, plaatsvindt rond het zesde uur: het uur waarop de zon hoog aan de hemel staat, waarop alles wat leeft, snakt naar water en mensen zo veel mogelijk binnen blijven.

Waarom pakt de Samaritaanse juist nu haar kruik om door de hitte naar de bron te gaan en dan terug te sjouwen met water?
Is het omdat zij er bijna zeker van is dat zij op dit uur de enige is die water komt putten?
Wil zij misschien niemand tegenkomen omdat zij wel weet dat zij het voorwerp is van gegniffel en geroddel vanwege de zes mannen in haar leven?
Of kiest zij heel bewust voor deze tijd omdat zij er behoefte aan heeft om even alleen te zijn?
Even weg van haar drukke huishouden. Even de tijd stil zetten om zittend bij de bron tot haarzelf te komen. Even de innerlijke onrust tot bedaren brengen.
Stil de tijd.
Als zij dan Jezus, vermoeid van zijn tocht, bij de bron ziet zitten, verontrust haar dat niet.
Hij, man en Jood, zal haar zeker niet aanspreken. Haar rust lijkt gewaarborgd.
Maar Jezus heeft haar nodig. Zij gaat een sleutelrol spelen zoals de evangelist Johannes wel aan meer vrouwen een sleutelrol toekent in zijn evangelie.
Jezus spreekt haar aan en vraagt om water.
In plaats van dat de vrouw hem te drinken geeft, zegt ze, ongewoon vrijmoedig:’Waarom vraag je mij dat, jij een Jood aan mij een Samaritaanse?’
Blijkbaar is de kloof tussen de twee culturen zo groot dat je elkaar niet eens te drinken kunt vragen.
De ongewone vrijmoedigheid van de Samaritaanse lijkt Jezus aan te moedigen tot ongewone openhartigheid.
Hij vertelt haar wat in zijn binnenste leeft aan bezieling en verlangen en geloof.
De vrouw die de grenzen doorbreekt van haar cultuur en haar religie, geeft Jezus de ruimte te spreken over het hart, de binnenkant van zijn geloof.
Maar zij zit nog op een ander niveau. Zij staat nog niet open voor de diepere betekenis van de woorden van Jezus. Zij denkt nog helemaal in wat je kunt noemen huis-, tuin- en keukentermen.
Ze zegt heel praktisch: ‘Heer, u hebt niet eens een emmer.’
En even later: ‘Geef mij van dat water dan hoef ik niet iedere dag met die zware kruiken te sjouwen.’
Eerst als Jezus met haar spreekt over haar privé-leven komt er bij haar een omslag.
Nu ziet zij hem met nieuwe ogen. Zij vermoedt dat hij iets met God van doen heeft en zij confronteert hem met het verschil tussen het joodse geloof en haar geloof.
Opnieuw laat Jezus zien dat verschillen niet belangrijk zijn. De plaats wáár God wordt aanbeden doet niet ter zake. Het gaat niet om de berg of om Jerusalem. Dat is allemaal buitenkant.
God is daar waar mensen Hem/Haar aanbidden in geest en in waarheid. D.w.z. in mensen die zich met heel hun leven en hun wezen op Hem oriënteren.

Door de ontmoeting met Jezus, in alle rust, bij die eeuwenoude bron, ontdekt de Samaritaanse haar diepste dorst, haar dorst naar levend water. Dat stromende, altijd nieuwe, verfrissende water waarvan mensen leven kunnen en wat hen tot leven brengt.
En Jezus die zij aanvankelijk zag als een joodse man en even later als profeet, maakt zich tenslotte aan haar bekend als de Messias. Bij hem lest zij haar dorst.
En hoe kan het ook anders: onmiddellijk begint in haar een bron van levend water te stromen. Zij laat haar kruik staan, zij keert zich om en wordt apostel.
Dankzij haar gaan vele Samaritanen geloven omdat zij nu ook zelf begrepen en gehoord hebben. Nota bene Samaritanen, die dissidenten, die niet zuiveren in de leer: zij gaan verkondigen dat Jezus werkelijk de redder van de wereld is.

De Samaritaanse vrouw speelde een sleutelrol heb ik in het begin gezegd. Jezus had haar nodig om hem bij de Samaritanen te introduceren en de verstarde verhouding met de Joden te doorbreken.
Door haar ontmoeting met Jezus kon de Samaritaanse haar gewone alledaagse bezigheden loslaten. Zij laat zich niet meer door de wijzers van de klok opjagen maar durft ze even stil te zetten.
Jezus geeft haar de ruimte. Hij veroordeelt haar niet. Hij benadert haar met geduld en respect. Hij boort een diepere laag in haar aan. Zij ontdekt wie zij werkelijk is en wat er in haar leeft aan verlangen en geloof. Zij kan niet anders dan die ontdekking delen met haar stadgenoten.
Zij is een bezielde en bezielende vrouw geworden voor de mensen om haar heen.

Stil de tijd
Zouden ook wij niet andere mensen worden als wij af en toe onze waterkruik, onze ballast van alledag, even laten staan?
De tijd nemen om met liefdevolle aandacht naar de wereld om ons heen en naar onszelf te kijken?
De innerlijke rust proberen te vinden om te verwijlen bij de Bron van Levend Water die Jezus voor ons wil zijn?
Deze Veertigdagentijd kan ons daarbij helpen.

Bij de voorbereiding van deze overweging schoot mij een oud gedichtje te binnen. Het is van de Vlaamse dichteres Alice Nahon, die leefde aan het begin van de vorige eeuw. Het sluit mooi aan bij het thema van deze Veertigdagentijd.
Dat wil ik u tot slot voorlezen.

Min de stilte in uw wezen.
Min de stilte die bezielt.
Zij die alle stilte vrezen,
hebben nooit hun hart gelezen,
hebben nooit geknield.

Thecla Fiselier Wasser