Overweging 8 mei 2011
Overweging 8 mei 2001 door Peter Nissen
Jaar A, derde zondag van Pasen
ONZE GOD VERBORGEN
‘Nu gingen hun de ogen open en ze herkenden Hem, maar meteen was Hij uit hun gezicht verdwenen.’ Deze woorden uit de evangelielezing van vandaag behoren voor mij tot de mooiste, meest diepzinnige en meest ontroerende zinnen uit de hele Bijbel. Zij komen ook uit een van de meest bekende Bijbelverhalen, dat van de Emmaüsgangers. U kon dat verhaal in deze kerk ook al horen tijdens de Paaswake en het is in deze kerk ook gelezen, anderhalve week geleden, tijdens de uitvaart van de theologe Tine Halkes. Maar het is zo’n rijk verhaal dat het eigenlijk niet vaak genoeg kan klinken. Er valt ook altijd wel weer iets anders over te zeggen.
Van de vier evangeliën die in onze Bijbel zijn terechtgekomen, vertelt alleen dat volgens Lucas ons dit verhaal. Bij de andere drie evangelisten zoeken we het vergeefs. Het verhaal is dus echt een Lucasverhaal. Ook nog in een ander opzicht: het biedt een soort opeenstapeling van woorden of wendingen die Lucas in de rest van zijn evangelie vaker gebruikt dan de andere evangelisten of die zelfs alleen maar bij hem voorkomen. Het is dus ook in zijn taalgebruik ‘echt Lucas’. Bijbelwetenschappers zien er zelfs een soort climax van het hele Lucasevangelie in, een soort apotheose. Na dat hele evangelie vertelt dit verhaal, bijna aan het slot, ons waar het uiteindelijk om draait. Het vat het Paasgeloof van de jonge christengemeente samen, maar niet in een belijdenistekst, niet in een theoretische beschouwing, niet in een theologische uiteenzetting, maar in een vertelling, een ‘geschilderd tafereel’. En wie dit geschilderde tafereel op zich laat inwerken, kan zich voorstellen dat de christelijke traditie ongeveer vanaf de zesde eeuw van Lucas de eerste iconenschilder maakte en hem uitriep tot patroonheilige van de schilders en kunstenaars, verenigd in de middeleeuwse Sint-Lucasgilden.
Het Lucasevangelie is één groot reisverhaal: Jezus is er steeds op pad. Drie grote bewegingen worden er in het evangelie voltrokken: eerst die door Galiliea in de eerste tien hoofdstukken, dan die naar Jeruzalem in de volgende negen hoofdstukken en ten slotte die in Jeruzalem zelf in de laatste vijf hoofdstukken. En dan komt daar dit kleine reisverhaaltje achteraan, van twee mannen die op pad zijn van Jeruzalem naar Emmaüs, van de grote stad naar wat toen nog een klein dorpje was. Een dorpje waarvan we eigenlijk niet eens precies weten waar het lag. Er zijn verschillende plaatsen die claimen dat zij het Emmaüs van dit evangelieverhaal waren. Pas in de tijd van de kruistochten zijn westerse christenen naar het ware Emmaüs gaan zoeken. Voor Lucas was dat nog helemaal niet belangrijk: Emmaüs is voor hem een beeld, een metafoor, namelijk voor het tegenovergestelde van de drukke en verwarrende wereldstad Jeruzalem, waar de twee tochtgenoten vandaan kwamen. Daar had zich de grote teleurstelling voltrokken: het was slecht afgelopen met Jezus. De grote Messias was op een schandelijke wijze geëindigd, als een slaaf aan een kruis. En vanuit die teleurstelling, vanuit die wanhoop gaan de twee op pad, op de vlucht eigenlijk, naar een dorpje dat in alles de tegenstelling zou moeten zijn van Jeruzalem. Ze ontvluchtten de wereld, de verwarring, de teleurstelling. En van die twee tochtgenoten heeft er maar één een naam, Kleopas. De ander heeft geen naam. Misschien mogen we daar onze eigen naam wel invullen. Misschien zijn wij het wel die daar met Kleopas op pad zijn, op de vlucht voor onze eigen verwarring en teleurstelling.
Het verhaal van de Emmaüsgangers gaat over wat er onderweg met je kan gebeuren, als je op de vlucht bent voor je eigen verwarring en teleurstelling. Het beschrijft een ontwikkeling, een proces dat door sommigen zelfs vergeleken wordt met het proces dat de grote mystici uit de verschillende religieuze tradities beschrijven. Het begint met een fase van verwarring, ontgoocheling, hopeloosheid. Als Jezus zich bij de twee reizigers voegt en vraagt waar ze toch zo druk over praten, staat er: ‘met sombere gezichten bleven ze staan’. Wat betekenisvol is in het verhaal, is dat die twee juist door hun somberheid, door hun ontgoocheling niet in staat zijn om Jezus te herkennen: ‘hun ogen waren niet bij machte Hem te herkennen’, staat er. Zij hebben dus letterlijk geen oog voor Jezus die zich bij hen voegt, zo druk zijn ze met hun eigen verdriet. Zij zijn ziende blind. Zoals ze eerder ook al horend doof waren: ze hadden ook geen oor gehad voor het getuigenis van de vrouwen die bij het graf waren geweest en die terugkwamen met het verhaal dat Jezus daar niet meer was. Ze zijn als het ware opgesloten in hun eigen verdriet, hun eigen teleurstelling, hun eigen hopeloosheid.
Maar dan gaat er iets veranderen in het verhaal. Die onbekende die met hen meetrekt en die ze nog steeds niet bij naam kennen, brengt hen verlichting. Hij doet dat door de boeken van de overlevering voor hen te openen. Hij legt hen uit wat in heel de Schrift op Hemzelf betrekking had, te beginnen bij Mozes en de profeten. Hij legt de Schriften open en houdt die als een spiegel voor aan de twee tochtgenoten. Door de verhalen uit de overlevering leren ze zichzelf kennen, leren ze de dingen begrijpen, kunnen ze ook hun teleurstelling een plaats geven. Jezus laat hen zien dat die verhalen van lang geleden over Hem gaan, en daarmee ook over die twee tochtgenoten. En ook over ons. Daarom lezen wij, als we samenkomen, uit de boeken van de Schrift. Niet omdat daaruit eeuwige waarheid vanuit de hemel over ons neerdaalt, maar omdat die verhalen ons helpen om onszelf, ons leven en onze wereld beter te begrijpen, omdat ze ons aan het denken zetten en ons nieuwe perspectieven wijzen. Precies dat gebeurt ook met de twee Emmaüsgangers: ze zien nieuw perspectief. Ze worden verlicht, zou je kunnen zeggen, met een term die in allerlei tradities diepe ladingen heeft: denk maar aan de betekenis van de verlichting in het boeddhisme, denk aan de Verlichting in de geschiedenis van de westerse filosofie. Allebei duiden ze erop dat we ons zelf beter leren begrijpen, dat we ons eigen bestaan in een helder licht gaan zien, dat onze ogen en onze oren worden geopend, en, zo voeg ik vanuit de Schrift aan toe, dat wij misschien ook een vermoeden mogen krijgen van een verborgen God.
En als de twee tochtgenoten die verlichting hebben doorgemaakt, groeit bij hen het verlangen naar de aanwezigheid van degene die met hen meetrekt. ‘Blijf bij ons’, zeggen ze, ‘want het is bijna avond en de dag loopt al ten einde’. Voor wie zouden die laatste woorden eigenlijk bedoeld zijn? Voor Jezus? Zouden ze hem willen afraden om in de nacht alleen verder te reizen? Of voor hen zelf? Zijn ze zelf misschien bang voor de nacht die komt, en willen ze de aanwezigheid rekken van degene die hen licht bracht? Komt de vraag dus voort uit zorg voor Jezus of uit eigenbelang? Wie zal het zeggen?
En dan komt het moment dat wel het hoogtepunt van het verhaal genoemd mag worden: de drie beleven gemeenschap met elkaar in het breken en delen van het brood. Er is zoveel verbondenheid gegroeid door het samen optrekken, dat er nu gemeenschap is, eenheid, vereniging, zoals in een mystieke ervaring. En in die mystieke ervaring gaan hun de ogen open, kunnen ze zien en herkennen. Maar dan komt de les die alle mystici ons voorhouden: je kunt de Eeuwige niet vasthouden: ‘ze herkenden Hem, maar meteen was Hij uit hun gezicht verdwenen.’ Het moment van herkenning is tegelijk het moment van verdwijning. Of om het anders te zeggen: er is in het hele verhaal eigenlijk niet één moment waarop de twee tochtgenoten Jezus echt zien: als Hij er is, herkennen ze Hem niet, en als ze Hem wel herkennen, is Hij er niet meer. Onze God is en blijft een verborgen God, en Jezus, zijn profeet, deelt in die verborgenheid. Slechts af en toe, soms even, denken wij Hem of Haar te zien.
Maar het verhaal is nog niet ten einde. Er groeit bij de twee tochtgenoten een nieuw besef van aanwezigheid van Jezus, namelijk in hen zelf. Hun hart is verwarmd. Andere bijbelvertalingen zeggen zelfs: hun hart brandde in hen. En die hartverwarmende ervaring, die hartsbrand, zorgt ervoor dat ze niet bij de pakken blijven neerzitten, niet in hun verdriet gevangen blijven, maar dat ze meteen opstaan en terugkeren naar Jeruzalem. Voor dat opstaan van de twee Emmaüsgangers gebruikt Lucas hetzelfde Griekse woord als voor het opstaan, het verrijzen van Jezus. De twee beleven dus opstanding, verrijzenis. Ze beleven Pasen.
Het verhaal van de Emmaüsgangers raakt volgens mij de kern van waar het in de kerk om gaat. Ik bedoel dan niet de kerk in de zin van de organisatie, het instituut, met paus en bisschoppen, synodes en wereldraden. Nee, ik bedoel met de kerk ons kleine clubje mensen dat hier bij elkaar komt, zoals er over de hele wereld kleine en grote clubjes mensen bij elkaar komen, om elkaar te bemoedigen, om met elkaar iets te delen, brood bijvoorbeeld, en om samen de verwarring te boven te komen. Ik beschrijf die kerk graag als een vertel-, een vier- en een doegemeenschap. We vertellen elkaar verhalen, uit een ver verleden, omdat die verhalen ons helpen ons eigen bestaan beter te begrijpen. Vervolgens vieren wij in tekens dat er toekomst is, dat er een betere wereld mogelijk is, dat vrede en gerechtigheid geen illusies zijn. En ten slotte staan wij op, om de wereld in te gaan, dat drukke en verwarrende Jeruzalem, en om daar iets te doen: daden te stellen waardoor vrede en gerechtigheid weer een beetje dichterbij komen, mensen tot hun recht kunnen komen en er een glimp van de verborgen God mag oplichten. Vertellen, vieren en weer opstaan om te doen, zoals de Emmaüsgangers deden. Daarom gaat het volgens mij in de kerk, en om niets anders.
Moge het zo zijn.
| < Vorige | Volgende > |
|---|


