Overweging Kerst, 25 december 2011 door Hans van der Ven

Jes 11,1-8; Joh 1, 1-5.14

Geachte parochianen,
Naar aanleiding van TV-uitzendingen over pedoseksualiteit in de kerk las ik gisteren, 24 december, in de Volkskrant, ik citeer: “Wat zou er in de kerstnacht toch in de hoofden van de priesters toch omgaan als ze het tweede couplet van Stille Nacht gaan zingen: ‘hulpeloos kind, heilig kind’?”
Inderdaad.
Ik voeg eraan toe: wat gaat er in de hoofden van ons allen om, nu verzameld rond de kerststal?


Van de afgelopen week blijven me twee TV-beelden bij. Het eerste is dat van geëmotioneerde, ontredderde slachtoffers. Het tweede is dat van Nelson Mandela, de icoon van waarheid en verzoening. Waarheid komt eerst. De lijfspreuk van Václav Havel, de vorige week begraven, luidde: ‘leven in waarheid’. Aan deze twee beelden wil ik aandacht schenken, met oog op inkeer. Daarom draag ik op mijn witte liturgische kleding een paarse stola, als teken van inkeer.
Maar ik begin met de monumentale tweede lezing die ik U zo juist heb voorgelezen, de proloog van het Johannesevangelie. Deze vangt aan met de gebeeldhouwde woorden: ‘In het begin was het woord, en het woord was bij God, en het woord was God’.  Als we soms twijfelen over wat of wie God is: Hij is het Woord. De tekst voegt er aan toe: ‘Alles is erdoor ontstaan’.

‘Alles is erdoor ontstaan’ − door het Woord.

Het klinkt abstract.  Maar, het herinnert ons aan het scheppingsverhaal aan het begin van de bijbel. Daarin schept God, door zijn Woord, Hij schept het licht. De tekst luidt daar: “God nam het woord en zei: ‘er moet licht kome,’ en er was licht”. En die tekst gaat verder. “God nam andermaal het woord …. En hij schiep de mens, naar zijn evenbeeld. Dit maakt het allemaal duidelijk: Kerstmis is het feest van woord en licht. Kerstmis is het feest van de nieuwe schepping − het feest van licht en leven. het feest van het kind.
Geen hulpeloos kind, zoals in Stille nacht, maar een kind dat donker en licht van elkaar scheidt, dat helder licht verspreidt, licht ís. Geen Stille nacht met een heilig wichtje dat sluimert zacht, maar een kind dat door zijn grootheid het woord van waarheid schenkt, zoals de tweede lezing zegt. Jezus, de nieuwe Adam, de nieuwe mens. Hij is geen lief bloemke, zoals in het eerste kerstlied, maar een baby die uitgroeit tot een rechtopstaande man die licht schept door zijn woord van waarheid.

Woord van waarheid – leven in de waarheid.

Waarheid in de kerk is de afgelopen week onomfloerst op het TV-scherm aan het licht gekomen. Het kwaad is bij de naam genoemd en aan het licht gebracht. De zwartste bladzijde in het boek van de kerk van de afgelopen anderhalve eeuw, sedert 1853, toen de bisschoppelijke hiërarchie in Nederland werd toegelaten, is opengeslagen, onbeschroomd, maar niet onbeschaamd. De daders, priesters en religieuzen, die het licht van gerechtigheid en liefde hadden moeten uitdragen, hebben ín kinderen het licht in hun ogen gedoofd. Hun woord ligt nu op hun lippen bestorven, hun mond is stom geworden, hun leven is klacht en aanklacht, abrikozen en olijven smaken hen niet meer. Oorzaken zijn er genoeg: de kerk, een gesloten instituut, priesters en religieuzen, die soms eenzame monaden zijn, broeders en zusters, die evenmenselijke intimiteit missen, een celibaat dat kwetsbaar maakt, aldus de commissie-Deetman. De enige manier om de waarheid echt onder ogen te zien is luisteren, liefst geen vormelijke empathie-betuigingen, maar luisteren en luisterend spreken.

Ligt daar niet een opgave voor de kerk, de hele kerk? De kerk is niet van de bisschoppen en hogere oversten, dat zijn voorbijgangers voor de duur van hun ambt, de kerk zijn wij. Wij zijn de kerk. Nee, zoals we hier bijeen zijn, dragen we geen schuld, maar wel mede-verantwoordelijkheid voor de verdere ontdekking en afwikkeling van de waarheid, door met het juiste woord te reageren en daardoor licht in de duisternis te brengen. Is dit niet te betekenis van Kerstmis voor dit en het komend jaar: kerstmis, het feest van het woord waar het woord nog ontbreekt, en feest van licht waar nog duisternis heerst? Zou het een idee zijn om in deze kerk enkele bijeenkomsten te beleggen met enkele van de vele slachtoffers en hen te vragen hoe ze tegen ons, de kerk, aankijken, en wat ze van ons, de kerk, verwachten – en wij wat wij van kunnen leren? Want, zoals een oeroud inzicht in de geschiedenis van de kerk luidt: “wanneer één lid van de kerk lijdt, lijdt de hele kerk.”
Vanuit welke houding zouden we aan zulke bijeenkomsten deelnemen? Van Nelson Mandela kunnen we leren niet in de verdediging te gaan, maar je oog in oog met de slachtoffers te verstaan, om de waarheid te achterhalen, hen uit te nodigen hun recht om gehoord te worden uit te oefenen, en daardoor gerechtigheid te verkrijgen. Pas dan kan verzoening gebeuren, pas dan kan liefde gaan stromen.
Maar we kunnen om een goede houding aan te nemen ook dichter bij huis in de leer gaan: de leer van Jezus. We mogen in de eerste lezing die we hebben gehoord een voorafschaduwing zien van zijn persoon en leven. Een goede houding is een goede geest: een geest van wijsheid en sterkte, een geest die geen uitspraak doet op grond van loze geruchten, die de geringen hun recht geeft, een geest van gerechtigheid als een gordel om de lendenen, een geest van trouw als een gordel om de heupen. Pas dan krijgt verzoening een kans: tussen kalf en leeuw, koe en berin, leeuw en os. En om het beeld van de verzoening met de droom van de  vrede te voltooien, met het verlangen naar vrede: kind en slang spelen samen in het nest van de slang, en onwaarschijnlijker nog: zuigeling en adder, een giftige slang, spelen samen in het hol van de adder. Het verlangen zegt: er is geen slang meer, geen adder.

Er is licht, slechts licht.